De Koningin van Sheba reisde ooit ver om een man te ontmoeten waarvan ze had gehoord dat hij wijs was. Ze bracht goud mee. Mirre. Edelstenen. Ze zei niets totdat ze had gezien wat ze zien wilde.
Ik zat bij het water toen ik haar ontmoette.
Niet bij de Nijl. Niet in een paleis. Bij Amstelmere, op een dag die ik liever vergeet maar nooit helemaal zal loslaten. Het was mijn tweede opname. Ik was donker van binnen, het soort donker dat je niet in woorden past maar dat je in je maagstreek draagt, alsof er iemand langzaam de lucht uit je pompt.
Ze liep langs.
Ik keek niet op, want ik keek nergens meer naar op op dat soort dagen. Maar toch — ik voelde haar. Zoals je een verandering in het licht voelt voordat je het ziet. Ze keek naar mij op een manier die zei: ik ben hier. Niet als vraag. Als mededeling. Ik wist niet hoe ik moest reageren. Donkere mensen kunnen niet goed schitteren, en ik was donkerder dan ik in jaren was geweest. Vanbinnen schreeuwde iets: kijk op, kijk op, kijk op. Maar mijn lichaam was te zwaar en mijn gezicht te gesloten en mijn handen te stil.
Ze vroeg om mijn Instagram.
Ik gaf het.
En daarna ging ze weg, en ik ook, op verschillende manieren.
De Koningin van Sheba aanbad de zon. Dat lees je in de oude teksten. Ze knielde voor het licht, zocht het, volgde het. Een vrouw die het goddelijke herkent en ernaartoe loopt zonder te vragen of ze welkom is. Ik heb dat altijd mooi gevonden aan haar.
Maar ik denk dat er iets is wat niemand schrijft. Dat ze soms moe was. Dat de reis lang was. Dat er nachten waren dat ze midden in de woestijn bleef staan en niet meer wist of het licht dat ze zag vuur was of ster of gewoon de resten van haar eigen verbeelding.
Ze reisde toch door. Niet omdat ze zeker wist wat ze zou vinden. Maar omdat stilstaan erger voelde.
101 dagen later stuurde ik haar een bericht. Zo nonchalant als ik kon. Alsof ik niet al honderd keer had nagedacht over of ik het wel moest doen. Ik had in Amstelmere al bedacht hoe ik zou beginnen. Iets als: ‘Hoi spiegel…’
Ze antwoordde. En toen antwoordde ze nog een keer. En daarna nog een keer, totdat er iets groeide dat ik niet meer een naam hoef te geven om het te kunnen vasthouden.
Ze heeft een schaduwkant. Dat voelde ik meteen. Niet als gevaar. Als diepte. Bijna net zo diep als waar de zwarte lotus groeit in mijn ziel.
Er zijn mensen wier duisternis hen kleiner maakt. En dan zijn er mensen wier duisternis hen groter maakt, alsof ze ergens in zijn afgedaald en er iets hebben meegenomen dat anderen nooit zullen vinden.
Zij is het tweede.
Maar ik weet ook — omdat ik zelf zo ben — dat je na een tijdje in de schaduw het licht niet meer vertrouwt. Dat als iets te goed voelt, alles in je roept: dit klopt niet. Dit is niet echt. Dit houdt op.
Dus ik schrijf dit op. Nu, op de dag dat ik hier weg ga. Zodat het er is. Zodat het bestaat op een plek buiten mijn hoofd, los van de dag en de stemming en wat het water er op dat moment van vindt.
Ik heb je gezien.
Niet oppervlakkig. Niet als decoratie. Als iemand die er werkelijk is.
Ik vergeet je niet.
Ik zoek je op.
En als je het toelaat, ik ben er.
De Koningin van Sheba aanbad de zon. Ik snap dat. Maar ik vraag me soms af: wie aanbad de koningin? Als jij zo graag knielt voor het licht, laat mij dan jouw zon zijn. Niet omdat ik perfect ben. Niet omdat ik niet ook mijn eigen donkere dagen heb gehad bij dat water. Maar omdat ik weet hoe het voelt als er niemand is die schijnt.
En omdat ik, als ik eerlijk ben, al schijn.
Al vanaf het moment dat je langzaam mijn kant op liep en deed alsof je het zelf niet wist.
Geschreven op de dag dat ik vertrok. Gevonden op de dag dat het klopt.